De oostkust van Australië is gezegend met prachtige stroken goudgeel zand. We volgen dus niet voor niets een populaire route richting het noorden samen met een hoop andere zonaanbidders, surfers, hippies, longstayers en reizigers zoals wij. In het kustplaatsje Byron Bay komt alles samen. Onze auto parkeren we bij een hostel en als we naar de supermarkt lopen, merken we dit al meteen. We worden ingehaald door surfers die nog een laatste golf willen meepakken, en in de supermarkt doet de helft boodschappen op blote voeten. Nadat we in de chaos van de keuken in het hostel een lekkere curry hebben klaargemaakt, voegen we ons met een flesje wijn bij een aantal anderen. Als je naar het campinggedeelte loopt, komt de hippie vibe je al tegemoet. Een geschilderd bordje aan de kant laat weten dat een keiharde beat uit een stereotoren hier niet gewenst is. En niet vanwege geluidsoverlast: “You probably escaped the city to come here, so don’t take it with you – no sound systems allowed”. Zo zit iedereen gezellig bij elkaar en genieten we van een jamsessie van twee gasten, de ene met dreadlocks en de ander met lange krullen, die hun gitaar erbij hebben gepakt. De meesten met wie we aan de praat raken zijn hier in Australië voor langere tijd – van één jaar tot zelfs zeven – met een werkvisum. Al ontmoeten we de volgende dag weer een Nederlands stel dat lange tijd in Azië heeft gewerkt en gereisd. Als ze hun verhalen vertellen over het goedkope leven en de verbazingwekkende cultuur, worden we weer al helemaal warmgemaakt voor wat komen gaat.

Maar eerst verkennen we nog meer van Australië. In tegenstelling tot Byron Bay is de volgende populaire badplaats, Surfers Paradise, minder paradijselijk in onze ogen. Met hoge flatgebouwen, McDonalds en proppers in de straten doet het meer aan als Salou dan een relaxte surfplek. Na een middagje op het strand rijden we dan ook meteen door. Onze route reikt niet veel verder dan Brisbane, maar Noosa dat op 1,5 uur rijden ten noorden van Brisbane ligt, kunnen we nog wel makkelijk in ons reisschema passen. Hier komen naast jonge backpackers vooral welgestelde toeristen op af. En dat is ook niet zo gek. Vanaf onze campingplek lopen we bijna direct het strand op en vanaf hier loop je zo verder het nationaal park in. Als het zonnetje lekker schijnt, maken we een wandeling aan de rand van het park met een aantal idyllische baaien aan de ene zijde, en een schattige koala hoog in de bomen aan de andere zijde. We begrijpen wel waarom de elite zich hier graag begeeft.

Vanuit Noosa maken we op onze laatste dag in Australië nog een dagtrip naar Fraser Island, het grootste zandeiland in de wereld. Een bijzondere plek omdat het eiland vol staat met regenwoud, een fenomeen dat vele landen met enorme woestijngronden maar al te graag zouden kopiëren. Een speciaal soort micro-organisme zorgt ervoor dat het eiland als een soort spons fungeert en jarenlange droogte kan doorstaan. Gezien 4WD een must is om het eiland te verkennen, stappen we aan boort van een ruige tourbus die oorspronkelijk voor de mijnbouw is bedoeld. Hiermee nemen we de veerboot en cruisen we met hoogtij over een klein randje strand dat nog over is richting Lake McKenzie. Deels door de golven en over het zachte zand, is dit al een hele belevenis op zich! De enthousiaste gids verteld ons van alles over de vegetatie van het eiland en is vooral helemaal weg van het grote zoetwater meer. “If the sun shines on the lake, it sparkles like a diamond”. Gelukkig pikken we nog wat zonnestralen op en zien we wat hij bedoeld. Het water is kristalhelder en heerlijk om in te zwemmen! Na een wandeling in het regenwoud, rijden we over de ‘snelweg’ (kilometers strand inclusief verkeersborden) bijna terug tot aan Noosa. Een mooi afscheid van onze (korte) tijd in Oceanië, waar Nieuw-Zeeland het wat ons betreft wint qua indrukwekkende landschappen, maar Australië verreweg het beste strandleven kent! Op naar Azië…!