Olifanten zijn hét symbool van Thailand, al eeuwen leven ze zij aan zij met de Thaise mensen en tot op de dag van vandaag kom je ze overal tegen. In levenden lijve, afgebeeld op hippie broeken of als decoratie in tempels. In Chiang Mai zien we ze vooral staan op folders van organisaties die een dagtrip met deze machtige beesten aanbieden. Gelukkig is er steeds meer aandacht voor diervriendelijkheid en kiezen we dit keer bewust voor een natuurreservaat met drie olifanten die het dierenwelzijn hoog in het vandaal heeft staan. Op aanraden van Sander en Sabine besluiten we om het dagprogramma te doen, wat achteraf een hele goede keuze blijkt. We zijn de eerste die om 8 uur ’s ochtends met een pick-up worden opgehaald, waarna we nog langs een ander guesthouse rijden om Michel en Ni op te halen om vervolgens de bergen in te gaan. Als we aankomen in de jungle bij ‘Into the Wild Elephant Camp’ liggen er 14 toeristen te zonnen op de stenen in de rivier die net klaar zijn met het ochtendprogramma dat zij hadden geboekt. En daaruit blijkt meteen ons voordeel: we hebben de olifanten bijna helemaal voor onszelf!

Als we met een tas vol bananen verderop richting de rivier lopen, komen de olifanten al snel achter ons aan rennen. Haha, oeps… dan zijn ze toch ineens heel groot en heel zwaar van dichtbij. Gelukkig is er ook een kleintje (voor een olifant dan) van drie jaar die bij ons komt staan en maar al te nieuwsgierig is naar de inhoud van onze tas. Als we eenmaal een banaan geven, is onze vriend ook niet meer te stoppen. Het is echt heel grappig, met zijn bek open en slurf zwaaiend in de rondte zijn alle bananen in no-time op. Na onze eigen heerlijke lunch met curry en verse groenten, trekken we onze schoenen uit en lopen we richting het modderbad. Een modderlaagje werkt perfect tegen de insecten, dus de olifanten laten zich maar al te graag insmeren en niet veel later ligt die kleine er al plat op zijn buik in. Als we zelf ook lekker onder zitten, is het tijd voor een douche. In de rivier verderop spoelen we onszelf en de twee grote olifanten af. De kleine olifant blijft liever op het droge, maar dat is ook wel weer mooi om te zien: ze worden wel enigszins gestuurd maar dus niet gedwongen. Al met al weer een supergave ervaring om zo dichtbij te komen en af toe ook best spannend moet erbij worden gezegd, want ze zouden maar op je tenen gaan staan 😉

Vanuit Chiang Mai reizen we verder naar het noorden van Thailand. Een weg met 762 (!) bochten door de bergen leidt ons naar Pai, een klein bergdorpje dat zeer geliefd is bij backpackers om haar relaxte sfeer. En ook wij vallen al snel voor de charme van Pai. Het dorp telt twee straten met knusse barretjes, restaurants, tattoo shops en een levendige avondmarkt. Al snel vinden we een beter alternatief dan het schrale bamboe hutje dat we van tevoren hadden gereserveerd en dus verhuizen we naar de buren waar we lekker in een hangmat voor ons houten bungalowtje kunnen relaxen. Het leven als reiziger is niet verkeerd, maar je moet er soms wel wat moeite voor doen. Uitzoeken, kiezen, rondvragen, sjouwen, inpakken… maar dan is het daarna ook extra genieten.

Bij de buren klinkt later op de avond livemuziek, dus besluiten we even een kijkje te gaan nemen. We treffen een gezellige sfeer aan met een kampvuur, reizigers van over de hele wereld en bijpassende blues klanken. We raken aan de praat met een Nederlander die ook al 16 maanden op reis is en hiervan al 4 maanden in Pai is blijven plakken. We krijgen hierdoor meteen een paar goede tips om de omgeving te verkennen. Op de scooter rijden we naar een uitzichtpunt over het bergachtige landschap, een spectaculaire waterval… zonder water (een tegenvaller door het droogseizoen) en uiteindelijk naar de Pai Canyon, met extreem smalle paden, aan weerszijden afgronden van wel 50 meter en een prachtig uitzicht over de vallei met de ondergaande zon. De volgende dag rijden we nog naar een natuurlijke hot spring, en zo zouden we nog wel meer van onze dagen kunnen doorbrengen, maar na een korte week in het relaxte Pai reizen we terug naar Chiang Mai om vanuit daar naar ons 21e land te vliegen: Myanmar.

Eenmaal geland met het vliegtuig valt al snel de schemering in en komen we met onze taxi aan bij het hotel. Als we vanuit hier een restaurantje proberen te zoeken, zakt de moed ons in de schoenen. Er is niets dat lijkt op de gezellige sfeer van Pai, de straten zijn modderig van de regen en een restaurant met een beetje sfeer kunnen we ook niet vinden. Waar zijn we beland, vragen we ons af en bestellen uiteindelijk maar een bordje rijst, kip en groente in de grote lege eetzaal van het hotel. Na een goede nacht slapen is de reismoeheid al wat gezakt en zoeken we op Tripadvisor een goed koffietentje waar we ons met de taxi laten afzetten. Onder het genot van een goede espresso, fruit, yoghurt en tomatensoep maken we een grove reisplanning voor Myanmar. Als we de Lonely Planet, verschillende blogs en de landkaart erbij pakken, gaat het toch weer kriebelen om dit land te verkennen.

We beginnen in de stad en omgeving van Mandalay, die een aantal indrukwekkende tempels en teakhouten kloosters kent. Bijna 90% van de bevolking beoefent namelijk het Theravada Boeddhisme en dat zie je overal terug in de architectuur, kleding en aan je eigen voeten. Uit respect trek je namelijk bij elke pagode, tempel of klooster die je binnenstapt je schoenen uit. Of het nu een tegelvoer is, een trap of stenen pad. En zo eindigen we onze dagen telkens met zwarte voeten. Maar ook met een glimlach, want de mensen hier zijn zó vriendelijk en behulpzaam, dat het ons meteen doet terugdenken aan Indonesië.

Omdat de belangrijkste bezienswaardigheden in Mandalay redelijk ver uit elkaar liggen, nemen we telkens een (brommer-) taxi om er te komen. Maar omdat dit al snel in de cijfers loopt (1 euro is 1400 Kyat), huren we voor een bezoek aan de dorpjes buiten Mandalay onze eigen scooter. Hiermee gaan we eerst op verkenning naar de Sagaing Hill met tientallen gouden en witten pagodes. De kortste weg naar het volgende dorp Inwa is vervolgens per ferry, die bij aankomst niet meer blijkt voor te stellen dan een houten motorbootje. Volgens de locals is dit echter geen enkel probleem en kunnen we gewoon met de scooter naar de overkant. Oké dan, zij zullen het wel vaker doen! Aan de overkant van het water lijken we ons in een totaal andere wereld te bevinden, tussen het groen en de akkers staan een aantal eeuwenoude religieuze bouwwerken die enkel via zandpaden met elkaar verbonden zijn. De meeste toeristen verplaatsen zich dan ook met paard en wagen via een standaard route, terwijl wij met onze blitse Scoopy lekker rondrijden en op verschillende plaatsen stoppen om het lokale boerenleven te aanschouwen. We eindigen onze eigen tour in Amarapura met de beroemde U Bein Bridge, een teakhouten loopbrug van meer dan een kilometer lang, die prachtig afsteekt in de oranje lucht als de zon ondergaat. Onze reislust is weer helemaal terug!